Financiële positie
In dit hoofdstuk staan we uitgebreid stil bij onze financiële positie. Dat doen we aan de hand van de volgende onderwerpen:
- De financiële kaders en uitgangspunten;
- Het huidig financieel beeld;
- Financiële ontwikkelingen en risico’s;
- Onze reservepositie.
Samenvatting en conclusies
Financiële uitgangspunten
In het coalitieakkoord ‘Kansen zien, kansen pakken’ is gekozen voor een solide financieel beleid met sluitende meerjarenbegrotingen. Er is gekozen voor stabiliteit. Wel willen we kansen benutten als deze zich voordoen. We vermijden extra bezuinigingen zoveel mogelijk.
Specifieke kaders zijn:
- Geen OZB verhoging in 2020 (0%)
- Voor de tarieven van rioolheffing en afvalstoffenheffing gaan we uit van 100% kostendekkendheid.
- Geen automatische prijscorrectie van budgetten.
- Voor subsidies gaan we uit van alleen een compensatie van loonstijging op basis van de specifieke CAO-ontwikkeling per sector. Dit betekent dat niet-professionele instellingen aan de nullijn gehouden worden.
- De rekenrente stellen we in principe vast op 1,5% en voor grondexploitaties begrotingstechnisch op 1,2%.
- In de begroting zit jaarlijks een post onvoorzien van € 300.000.
Huidig financieel beeld
- De structurele ruimte in de begroting is fors negatief. Er is sprake van een jaarlijks tekort van circa € 3 tot € 4 miljoen. In deze cijfers is voor de jaren 2020 en 2021 rekening gehouden met extra rijksgelden voor jeugdzorg. Voor de jaren erna is hiermee geen rekening gehouden (wel met kostenstijging van € 1,7 miljoen). Dit betekent een grote opgave om de een sluitende begroting te presenteren in het najaar.
- De reservepositie ontwikkelt zich positief. Binnen de algemene reserve is sprake van een financiële ruimte van € 2,5 miljoen. Binnen de algemene bedrijfsreserve van het grondbedrijf ontstaat ruimte voor het jaar 2020 ter hoogte van circa € 6,9 miljoen. Het jaar daarna (2021) wordt een ruimte verwacht van € 6 miljoen.
- De eerste financiële tussenrapportage 2019 zorgde voor forse tekorten in met name het sociaal domein. We hebben daarbij al gevraagd om richting de programmabegroting te komen met een nadere analyse en keuzemogelijkheden. Ook hebben we gevraagd om mogelijke voordelen voortkomend uit het jaarverslag en de jaarrekening 2018 op het gebied van omgevingsvergunning, inkomensregelingen (BUIG), peuteropvang, onderwijsachterstanden en rente te analyseren.
1. Inleiding
De meerjarige vooruitzichten voor Oss worden voor een groot deel bepaald door de ontwikkeling van de economie en de rijksuitgaven. Het hoge groeitempo van de Nederlandse economie is volgens het Centraal Planbureau (CPB) voorbij. Het CPB heeft in maart 2019 berekend dat de economische groei dit jaar terugkeert naar een standaard groeitempo van 1,5%. De overheidsbestedingen groeien met circa 2,4% stevig maar minder dan eerder verwacht. Dit komt doordat intensiveringen bij met name defensie en infrastructuur niet alle worden gerealiseerd. De arbeidsmarkt blijft krap, maar de werkloosheidsdaling is volgens het CPB nu voorbij.
2. Financiële kaders en uitgangspunten
In het coalitieakkoord ‘Kansen zien, kansen pakken’ is gekozen voor een solide financieel beleid met sluitende meerjarenbegrotingen. Er is gekozen voor stabiliteit. Wel willen we kansen benutten als deze zich voordoen. We vermijden extra bezuinigingen zoveel mogelijk.
Tegen deze achtergrond gelden de volgende algemene financiële kaders en uitgangspunten:
- Ons financieel beleid blijven we gedegen en solide vormgeven. We hebben een begroting die meerjarig (structureel) sluitend is. Tussentijdse beperkte, niet structurele, tekorten zijn aanvaardbaar als we deze uit reserves kunnen afdekken.
- We hebben een algemene reserve die in principe voldoet aan de gestelde normen (10% van de algemene uitkering).
- We kijken jaarlijks kritisch naar alle reserves. In de nota reserves, die de gemeenteraad tegelijk met de programmabegroting behandelt, lichten we de reserves uitgebreid toe.
Meer specifiek gelden de volgende kaders:
Gemeentelijke belastingen en heffingen
De lokale lastendruk houden we minimaal op € 22,50 onder het landelijke gemiddelde. In het jaar 2019 zitten we volgens het COELO (ondanks een eerdere extra verhoging van 5% in 2019) € 33 onder het landelijke gemiddelde. Dit komt vooral omdat landelijk de afvalstoffenheffing in 2019 gemiddeld is gestegen met € 14 per meerpersoonshuishouden. In onze gemeente is deze heffing nog niet gestegen.
Voor het jaar 2020 kiezen we ervoor om de OZB niet te verhogen. Ook niet met de prijsinflatie.
De tarieven voor rioolheffing en afvalstoffenheffing zijn in principe kostendekkend.
Dit uitgangspunt betekent dat de afvalstoffenheffing voor 2020 behoorlijk moet stijgen. We schatten nu in dat de tarieven met circa 20% stijgen (circa € 45). Dit is mede afhankelijk van de ontwikkeling van de reserve (in relatie tot Attero). Door de resultaten van een nieuw afvalbeleid kan het tarief later verlaagd worden.
Prijsontwikkeling
Het CPB verwacht in 2020 voor de overheidsuitgaven een prijsontwikkeling van 1,5% (prijs overheidsconsumptie netto materieel). Voor de loonontwikkeling gaan ze uit van 1,9% (prijs overheidsconsumptie beloning werknemers). In de jaarlijkse meicirculaire van het gemeentefonds krijgen gemeenten in principe geld voor de verwachte loon- en prijsontwikkeling. Vanuit de meicirculaire zetten we daarom de noodzakelijke bedragen apart om loon- en prijsstijgingen op te kunnen vangen. Omdat we verwachten dat onze werkelijke inflatie in 2020 hoger is (voor lonen, subsidies, sociaal domein, gemeenschappelijke regelingen en overige kosten) moeten we extra geld voor loon- en prijsontwikkeling ramen.
Gesubsidieerde instellingen
Bij gesubsidieerde professionele instellingen is in zijn algemeenheid sprake van een 80/20-verhouding tussen het loongevoelige en prijsgevoelige deel van de uitgaven. Voor budgetsubsidies wordt voor de compensatie van loonstijging uitgegaan van de specifieke CAO-ontwikkelingen per sector en voor de compensatie van prijsstijging wordt uitgegaan van de nullijn. Bij de overige subsidies zoals professionele instellingen zonder budgetovereenkomst en niet-professionele organisaties wordt de nullijn voor prijscompensatie gehanteerd.
Post onvoorzien
In de begroting hebben we een jaarlijkse post onvoorzien van € 300.000 opgenomen. Dit bedrag kan door het college gedurende het jaar ingezet worden voor incidentele tegenvallers. Criteria daarvoor zijn:
- onuitstelbaar
- onvermijdbaar
- onvoorzienbaar
De verantwoording van de inzet van deze post nemen we op in de reguliere planning- en controldocumenten.
Rekenrente
De rekenrente bedraagt 1,5%. De rente voor de grondexploitaties bedraagt op dit moment begrotingstechnisch 1,2%. Dit is gebaseerd op landelijke verslagleggingsvoorschriften. Voor de programmabegroting 2020-2023 actualiseren we deze percentages.
3. Huidig financieel beeld
3.1 Structurele begrotingsruimte
Het financieel beeld wordt bepaald door:
- De meerjarenraming van de programmabegroting 2019-2022.
- De uitkomsten van de meicirculaire 2019.
- 3O-ontwikkelingen vanuit de eerste financiële tussenrapportage over 2019 (met focus op doorwerking vanuit de jaarrekening).
- 3O-ontwikkelingen die pas bij het maken van de programmabegroting 2020-2023 bekend zijn.
In de volgende tabel hebben we de uitkomsten samengevat.
+ is nadeel: hogere uitgaven/lagere inkomsten | ||||||
Omschrijving | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | |
Programmabegroting 2019-2022 | 81 | -6 | 146 | -1.814 | -1.814 | |
Meicirculaire 2019 | -1.023 | 831 | 1.394 | 3.580 | 2.164 | |
Eerste financiële tussenrapportage 2019 | 2.303 | 2.815 | 2.863 | 3.043 | 3.043 | |
3O-ontwikkelingen Programmabegroting 2020-2023 | PM | PM | PM | PM | PM | |
Financieel kader | 1.361 | 3.640 | 4.403 | 4.809 | 3.393 |
Conclusie hieruit is dat de financiële ruimte als volgt is:
- In 2019 een verwacht tekort van € 1,4 miljoen
- In 2020 een verwacht tekort van € 3,6 miljoen
- In 2021 een verwacht tekort van € 4,4 miljoen
- In 2022 een verwacht tekort van € 4,8 miljoen
- In 2023 en verder een verwacht tekort van € 3,4 miljoen.
Toelichting op de tabel
Programmabegroting 2019-2022
Bij de begrotingsbehandeling in november 2018 is de meerjarenraming vastgesteld. Dit leidde tot een beperkt tekort in 2019 van € 81.000. Het laatste begrotingsjaar (2022) sloot met een positief saldo van € 1,8 miljoen.
Meicirculaire 2019
Samengevat is de uitkomst van de meicirculaire als volgt:
+ is nadeel: hogere uitgaven/lagere inkomsten
- is voordeel: lagere uitgaven/hogere inkomsten
bedragen x € 1.000
2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | |
Meicirculaire 2019 | -176.405 | -178.289 | -178.175 | -176.537 | -177.567 |
Septembercirculaire 2018 | -170.344 | -172.203 | -172.933 | -173.688 | -173.688 |
Saldo | -6.061 | -6.086 | -5.242 | -2.849 | -3.879 |
Totaal af te zonderen | 5.038 | 6.917 | 6.636 | 6.429 | 6.043 |
Extra onttrekking algemene reserve afrekening 2018 | -580 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Minder onttrekken algemene reserve tekort jeugdzorg | 970 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Netto ontwikkeling | -633 | 831 | 1.394 | 3.580 | 2.164 |
De meicirculaire 2019 van de algemene uitkering uit het gemeentefonds laat ten opzichte van de septembercirculaire 2018 voor alle jaren een stijging zien (in 2019 een stijging van ruim € 6 miljoen). Deze stijging wordt in meerjarig perspectief lager door nadelige accressen binnen de meicirculaire. Het Rijk verwacht minder geld uit te gaan geven door lagere loon- en prijsontwikkeling.
Van deze bedragen moeten we diverse bedragen afzonderen voor specifieke onderwerpen. Als we daar rekening mee houden hebben we de volgende saldo’s:
- 2019: € 633.000 positief
- 2020: € 831.000 negatief
- 2021: € 1,4 miljoen negatief
- 2022: € 3,6 miljoen negatief
- 2023: € 2,2 miljoen negatief.
De meicirculaire valt erg negatief uit door:
- Negatieve afrekening 2018
- Negatieve accressen in meerjarig perspectief
- Te beperkte compensatie van loon- en prijsstijging
- Ruimte binnen het BTW compensatiefonds wordt kleiner (gemeenten declareren meer, waardoor we minder krijgen);
- Korting apparaatskosten gemeenten (opschalingskorting).
Negatieve afrekening 2018: € 580.000
De ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van de rijksuitgaven. Hierbij geldt het zogenaamde principe “samen de trap op- samen de trap af”. De werkelijke rijksuitgaven over 2018 waren lager dan verwacht. Daarnaast is er een tegenvaller vanuit het BTW compensatiefonds. Gemeenten hebben meer gedeclareerd dan verwacht. Beide leiden tot een negatieve afrekening over 2018 van € 1.060.000. We hadden bij het jaarverslag en de jaarrekening 2018 al rekening gehouden met een nadeel van € 480.000. Per saldo dus een extra nadeel van € 580.000. We stellen voor om dit extra nadeel te onttrekken uit de algemene reserve (het positieve saldo van 2018 hebben we hierin gestort).
Extra gelden voor jeugdzorg
In de bovenstaande cijfers hebben we ook de extra gelden voor jeugdzorg opgenomen. In 2019 gaat het om € 2,3 miljoen en in 2020 en 2021 om jaarlijks € 1,7 miljoen.
In de eerste financiële rapportage hebben we het volgende gemeld over jeugdzorg:
- Extra tekort 2019: € 746.000. We hadden al een tekort begroot van € 970.000 en onttrokken dit uit de algemene reserve.
- Het structurele tekort is daarna € 1.727.000 per jaar.
Het extra geld vanuit het Rijk zetten we in om de gemelde tekorten uit deze rapportage af te dekken. We stellen voor om de onttrekking uit de algemene reserve ongedaan te maken en het restant van € 543.000 toe te voegen aan het budget voor jeugdzorg. Bij de jaarrekening 2019 bekijken we hoe tekorten zich hebben ontwikkeld.
Voor een nadere toelichting van de meicirculaire wordt verwezen naar bijlage 1.
Effecten eerste financiële tussenrapportage 2019
De eerste financiële tussenrapportage 2019 zorgde voor forse kostenstijgingen en voor tekorten.
Voor 2019 gaat het om een bedrag van afgerond € 2,3 miljoen. Richting 2020, 2021 en verder loopt dit op tot € 3 miljoen structureel. Belangrijke oorzaken van het nadeel zijn:
- Hogere kosten voor jeugdzorg (€ 746.000 in 2019 en € 1,7 miljoen vanaf 2020);
- Hogere kosten voor Wmo begeleiding en individuele ondersteuning (afgerond € 1 miljoen structureel);
- Hogere kosten voor Bijzondere bijstand (€ 395.000 structureel);
- Hogere kosten voor de Regiotaxi (€ 225.000 structureel).
Voor deze nadelen verwachten we richting de programmabegroting 2020-2023 een nadere analyse en keuzemogelijkheden. Voor een nadere toelichting verwijzen we naar de afzonderlijke rapportage.
3O-ontwikkelingen programmabegroting 2020 -2023
Na de vaststelling van de kadernota gaan we de programmabegroting 2020-2023 opstellen. Daarbij kijken we naar alle producten van de begroting. Dit zal op onderdelen tot bijstellingen leiden, in positieve en negatieve zin. We gaan richting het opstellen van de programmabegroting 2020-2023 nadrukkelijk aan de slag met het analyseren van mogelijke voordelen op het gebied van omgevingsvergunningen, inkomensregelingen (BUIG), peuteropvang, mogelijkheden op het gebied van onderwijsachterstandenbeleid en de rentekosten. Dit omdat we in het jaarverslag en de jaarrekening 2018 hier voordelen zagen, waarbij het structurele effect pas later goed in te schatten is.
3.2 Incidentele begrotingsruimte
De incidentele begrotingsruimte wordt vooral bepaald door de ruimte binnen de algemene reserve en de ruimte binnen de algemene bedrijfsreserve van het grondbedrijf.
- Algemene reserve: het meerjarenbeeld van de algemene vrije reserve ontwikkelt zich naar een bedrag van afgerond € 20 miljoen (inclusief saldobestemming jaarrekening 2018). Ten opzichte van de minimale norm van € 17,5 miljoen betekent dat er binnen deze reserve ongeveer € 2,5 miljoen ruimte zit.
- Algemene bedrijfsreserve van het grondbedrijf: op basis van het MPG 2019- 2022 verwachten we dat deze reserve groeit naar € 15,8 miljoen per 1-1-2020. Het minimale niveau begroten we op basis van risicoschatting op ruim € 8 miljoen. Dit betekent dat de beschikbare, incidentele ruimte in 2020 € 7,8 miljoen bedraagt. Hiervan wordt al voorgesteld om € 0,9 miljoen beschikbaar te stellen voor het extra tekort van de ontwikkeling van het Walkwartier. Per saldo resteert er een ruimte van € 6,9 miljoen. Dit is natuurlijk wel afhankelijk van werkelijke grondverkopen in 2019. Voor het jaar daarna wordt een ruimte verwacht van € 6 miljoen extra.
3.3 Overige reserves
We hebben ook diverse bestemmingsreserves waar in principe nog bestedingsmogelijkheden zijn. In bijlage hebben we een overzicht van de grootste bestemmingsreserves opgenomen. Deze reserves geven een beeld van de incidentele investeringsruimte in de komende jaren.
4. Financiële ontwikkelingen en risico's
De financiële positie van onze gemeente was stabiel. Door toegenomen risico’s en kostenstijgingen in het sociaal domein (Jeugdzorg en Wmo) en door ontwikkelingen van de algemene uitkering staat dit erg onder druk. We zetten ons in om de risico’s in het sociaal domein beheersbaar te houden. Hier ligt een belangrijke uitdaging richting de toekomst.